Sterren kijken
Avond. Keano en Kenji zijn in bed. Ze slapen niet. De gordijnen hebben ze open gedaan en ze kijken naar de lucht, die donker en licht tegelijk is. Er is een maan, wit en groot en rond. En ze zien sterren, sommige knipperen of trillen. ‘Wat een sterren!’ zegt Kenji, ‘Zullen we ze tellen? Een, twee, drie, vier, vijf, zes. . .’ Bij vierentwintig houdt hij al op. ‘Jij telt niet mee,’ zegt hem. ‘Ik heb geen zin in tellen,’ zegt Keano. ‘Er staan er veel te veel.’ ‘Misschien val je in slaap als je telt,’ zegt Kenji. ‘Ik wil niet slapen,’ zegt Keano, ‘ik wil naar de maan kijken en ik wil al die sterren zien.’ ‘Het zijn net oogjes,’ zegt Kenji, ‘ze kijken naar ons, ze geven knipoogjes.’ ‘Als we een vallende ster zien,’ zegt Keano, ‘dan mogen we een wens doen.’ ‘En wat wens je dan?’ vraagt Kenji. ‘Dat ik nog een vallende ster zie,’ zegt Keano. Ze kijken nog een tijdje naar de sterren.
Keano vraagt zich af of sterren kunnen vallen: ze hangen toch niet aan een haakje? Hij heeft nog nooit een vallende ster gezien. ‘Die maan geeft wel veel licht!’ zegt Kenji. ‘Ik zie de schoorstenen en de dakpannen en de planken van de schutting. . .’ Keano kijkt naar al die dingen die Kenji opnoemt en hij ziet ook nog een droogmolen en een vuilnisbak. Hij geeuwt. ‘Dat is wel goed, al die sterren en die maan,’ zegt Kenji. ‘Zo is er veel licht en dan botsen de schepen die op zee zijn niet en dan verdwalen de kamelen in de woestijn tenminste niet.’ ‘Ik ga in bed,’ zegt Keano, ‘vertel jij maar over de zee of over de woestijn.’ Keano kruipt onder het dekbed. Dat is warmer. Bij de ruit is het maar koud.
‘Dit dekbed is net de woestijn,’ zegt Kenji. Ze geeft klopjes op het dekbed. ‘Er zijn heuvels van zacht zand en het is nacht. Door de woestijn loopt een lange stoet kamelen. Ze sloffen met hun grote voeten door het mulle zand. Ze dragen grote pakken. Dat zijn de zwarte tenten en de tapijten en de koffiepotjes en de leren zakken met water. In de woestijn is niet veel water te vinden, daarom moet je het meenemen. Bij de kamelen lopen mannen met speren. Ze hebben een zwarte mantel om en dragen een witte tulband op hun hoofd. Hun schaduwen zijn lang. Dat komt door de maan. Die schijnt fel. De mannen wijzen met hun speren naar de maan en ze kijken naar de sterren. Ze kijken vooral naar één ster die extra helder is en veel licht geeft. Het is maar goed dat die ster daar staat. Zo verdwalen ze niet.’ Kenji zwijgt even. De maan schijnt nu recht de kamer in. ‘Wat een licht, hè?’ zegt Kenji. Keano antwoordt niet. Hij slaapt. ‘Een goed idee,’ zegt Kenji. Ze gaat ook onder het dekbed. De gordijnen laat ze open. Ze kijkt nog lang naar de sterren. En ze kiest er een die ze het mooist vindt.
